Gerard Pedroli

Gerard Pedroli

31 mrt 2025

31 mrt 2025

13. Recht tussen zijn ogen

Niemand anders mag mijn knuppel gebruiken.
Zeker mijn broertje niet.
Op een veldje naast ons huis gaan we slaan.
Dat wil zeggen, mijn broer gooit en vangt.
Ik sla.
Maar dan moet hij wel zo gooien
dat ik die bal kan raken.
‘Kom een stukje dichterbij, joh.
Nog een stukje, sukkel!’

BAF!
Die bal raak ik lekker.
En nog een!
Ik raak op dreef en ga steeds harder slaan.
De ballen vliegen rakelings langs hem heen.
Soms vangt ie er eentje.
Hij doet weer een stap achteruit.
‘Mietje!’, roep ik.

POF!
Een keiharde bal
raakt hem recht tussen zijn ogen.
Hij zwaait even heen en weer als een dronkenlap,
stort dan neer als een blok.
En blijft liggen, doodstil.
Ik denk dat-ie een geintje maakt
‘Komop, man, stel je niet aan!’
Ik zie ook nergens bloed.
Maar hij verdomt het om op te staan.
Nou, bekijk het dan maar.
En ik loop
met mijn Louisville Slugger over mijn schouder
terug naar huis.

Tien minuten later is-ie er nog niet.
Toch maar even kijken waar hij blijft.
Ah, daar zit-ie.
Hij huilt en heeft gekotst.
En dan zie ik een bult op zijn voorhoofd
zo groot als een pingpongbal.

Als we thuiskomen legt mijn moeder
een washandje met ijsblokjes op zijn voorhoofd.
Moet ie weer kotsen
en wordt de dokter gebeld.
‘Zware hersenschudding,’ zegt hij.
En dat mijn broer een week in het donker moet liggen.

Dus sla ik maar ballen uit de hand,
die ik steeds zelf ophaal.
Daar zet ik een stokje neer.
De volgende moet verder.
En zo doe ik dan
een wedstrijdje met mezelf.

Lees elke week de nieuwe column van Gerard

Lees elke week de
nieuwe column van Gerard